Karate en werptechnieken

Gepost op 13/03/2018

Bij Seikan vormen werptechnieken (nage waza) een belangrijk onderdeel van onze leerstof. Onze multivechtsport (Koryu Uchinadi) is een hedendaagse interpretatie van oudere (19e eeuwse) Okinawaanse vechtstijlen, waarbij zelfverdediging veeleer dan competitie de voornaamste doelstelling was.

In het basisprogramma van onze multivechtsport zitten een tiental werptechnieken, gaande van veegtechnieken, heup- en schouderworpen, tot offerworpen.

Als Oosterse vechtsport is karate echter vooral bekend als een systeem van afweren, stoten en trappen. In essentie is karate ook een impactgebaseerde krijgskunst/vechtsport. Dit is duidelijk als je naar wedstrijdvormen kijkt.

Er bestaan verschillende wedstrijdvormen van het moderne sportkarate. De voornaamste vormen zijn ippon en sanbon kumite, semi-contact en full-contact karate. Al deze wedstrijdvormen zijn gebaseerd op een puntensysteem, waarbij punten worden toegekend aan stoot- of traptechnieken die - op een gecontroleerde manier - hun doel raken.

De wedstrijdvormen verschillen in de manier waarop punten worden toegekend, de plaatsen waar geraakt mag worden en hoe hard de impact mag zijn. Behalve bij full contact wedstrijden, zijn trappen onder de gordel (low kicks) niet toegestaan en is het verboden om de tegenstander uit te schakelen door een Knock Out (KO). Karatekampen vereisen dan ook de hoogste zelfbeheersing, zodat punten op een gecontroleerde manier gescoord kunnen worden.

Bij het wedstrijdkarate is het eveneens verboden (of sterk gelimiteerd) om de tegenstander vast te nemen, waardoor de meeste werptechnieken bij voorbaat onmogelijk zijn. Dit verklaart deels waarom werptechnieken (behalve veegtechnieken) minder beoefend worden binnen het sportkarate.

Toch vinden we binnen de traditionele karatevormen (kata) ook werptechnieken terug. Dezelfde worpen vinden we in het judo.

Wat is het verschil tussen de werptechnieken in het judo en in het karate? 

Welnu, de uitvoering van de technieken zelf is in principe dezelfde, alleen verschilt de context en de doelstelling ervan.

Er zijn grosso modo twee verschillen.

Ten eerste traint de judoka in de eerste plaats om te kampen tegen een andere judoka. Beiden kennen de regels van het spel en beiden zijn gespecialiseerd in werptechnieken. Het uitvoeren van een worp tegen iemand die met kennis van zaken tegenwerkt en hetzelfde probeert te bereiken is moeilijker dan een werptechniek uitvoeren tegen iemand die geen werptechniek verwacht. Bij zelfverdediging gaan we ervan uit dat de tegenstander geen kennis van zaken heeft, wat de worp gemakkelijker maakt (althans daar gaan we toch vanuit).

Een tweede verschil is dat vanuit een karate- of zelfverdedigingsperspectief de werptechniek volgt op een impact. Binnen het judo is impact (bvb. slaan of stampen) verboden. Impact kan echter toegepast worden om de tegenstander uit evenwicht te brengen (kuzushi), wat een fundamentele stap is bij het uitvoeren van een worp.

Het uitvoeren van een werptechniek verloopt in 4 stappen:

(1) Tegenstander uit evenwicht brengen (Kuzushi);

(2) Tegenstander in een positie brengen om de werptechniek uit te voeren (Tsukuri);

(3) Uitvoeren van de werptechniek (Kake);

(4) Afwerken van de werptechniek (Kime).

In het judo wordt stap (1) uitgevoerd door duwen of trekken. Bij zelfverdediging kan hiervoor ook een impacttechniek gebruikt worden. Binnen een zelfverdedigingscontext worden werptechnieken gebruikt om de aanvaller uit te schakelen  of om de aanvaller in een zwakkere positie te brengen zodat verdere impact of een controletechniek (osae komi waza, shime waza of kansetsu waza) kan volgen.

‹ Terug naar overzicht