De fasen van het gevecht

Gepost op 10/03/2018

Het gevecht kan op twee verschillende manieren worden ingedeeld.

In het MMA worden doorgaans drie fasen onderscheiden: 

(1) Free range impact (stand-up)

(2) Clinch

(3) Ground.

Vanuit zelfverdedigingsoogpunt onderscheiden we vier fasen: 

(1) Ontvangen

(2) Impact

(3) Overnemen

(4) Controleren.


MMA fasen

1. Free range impact fase

In de eerste fase is er geen contact tussen beide kampers (“free range”) en bestaan de aanvallen uit impactgebaseerde technieken (bvb. vuist- en kniestoten, traptechnieken). Om het gevecht in deze fase te domineren of te beëindigen is een combinatie van verplaatsingen met harde en doeltreffende impacttechnieken noodzakelijk. De bokser Muhammed Ali overklaste zijn tegenstanders omdat hij beide aspecten fenomenaal beheerste. Hij omschreef zijn boksspel zelf perfect als “float like a butterfly, sting like a bee, you can’t hit, what you can’t see”. Zijn tegenstanders konden Ali niet raken, maar zijn stoten waren harde mokerslager.

Een van de MMA-kampers die dit goed spel beheersen is de Braziliaan Lyoto Machida. Niet toevallig heeft hij een achtergrond in het moderne sportkarate. Sportkarate is een puntensysteem (KO is niet toegestaan), maar geen enkele andere vechtsport beheerst het voetenspel zo goed als het sanbon kumite (wedstrijdvorm van het moderne karate).

2. Clinch

In de clinchfase grijpen de tegenstanders elkaar vast. Dit kan al dan niet gepaard gaan met impacttechnieken, maar meestal probeert men de tegenstander naar de grond te brengen. De grote specialisten in de clinch zijn thai boksers, worstelaars en de judokas. Het grote verschil tussen thaiboksen en het westers kickboksen is dat het thaiboksen  tradioneel een clinchsysteem is, waarbij tegenstanders elkaar mogen vastgrijpen en waarbij vanuit de clinch elleboog-, knie- en kopstoten mogen gegeven worden. Daarnaast kent het thaiboksen, in tegenstelling tot het kickboksen, ook werp- en veegtechnieken uit de clinch.

Zowel het judo als het worstelen zijn gespecialiseerd in werptechnieken. Worstelaars zijn in het voordeel in het MMA omdat zij gewoon zijn om zonder gi te trainen. De bekendste judoka die een succesvolle overstap naar het mma gemaakt heeft is Ronda Rousy. Met een achtergrond in het judo en het worstelen, heeft onze Vlaamse mma-ster Cindy Dandois ook zeer sterke takedowns.

3. Ground

Het belang van een goede ground game is gebleken uit de eerste internationale MMA-gevechten (UFC), waarbij de Gracies hun tegenstanders naar de grond brachten, om ze vervolgens te domineren en te overwinnen. Ondertussen trainen alle MMA-atleten (en bij uitbreiding iedereen die serieus met martial arts bezig is) op grondwerk.

Controle is het belangrijkste aspect van het grondwerk. Op de grond kun je een tegenstander gemakkelijker en beter controleren dan rechtopstaand. Je controleert het lichaam van de tegenstander door de beweeglijkheid ervan te verminderen, wat op zijn beurt voor de tegenstander de mogelijkheid verkleint om zware impact toe te dienen.

Tegenwoordig oefenen atleten met een minder uitgesproken ground game op technieken en strategieën om het grondgevecht te vermijden. Die strategie wordt “sprawl ’n brawl” genoemd. “Sprawl” is een verdediging tegen een single of double leg takedown. “Brawl” is straattaal voor vuistgevecht.

Een andere strategie die toegepast wordt door strikers met een minder uitgesproken ground game is “ground ’n pound”. “Ground” betekent de opponent neerhalen met een takedown, “pound” betekent kloppen. In deze strategie wordt een tegenstander vrij brutaal overmeesterd door een regen van stoten

Zelfverdedigingsfasen

Vanuit een zelfverdedigingsperspectief kan het gevecht in vier fasen onderverdeeld worden: (1) Ontvangen, (2) Counteren, (3) Overnemen, en (4) Controleren.

Hier moet onmiddellijk de nuance gemaakt worden dat het in een verdedigingssituatie nooit om een gevecht tussen twee tegenstanders gaat die voor de overwinning strijden. Er is een aanvaller en er is een slachtoffer dat zich verweert op de wettelijk toegestane manier. Het “zelfverdedigingsgevecht” duurt hooguit enkele seconden, dit in tegenstelling tot een wedstrijd die meerdere minuten kan duren.

1. Ontvangen

Het slachtoffer wordt aangevallen en “ontvangt” de aanval. Hier zijn een aantal mogelijke uitkomsten.

(1) De aanval komt onverwacht, treft doel en schakelt het slachtoffer uit. Einde verhaal. Dit is typisch het geval bij een roofoverval. Het is over vooraleer het slachtoffer beseft dat er iets gebeurd is. Verdedigingstechnieken aanleren aan oudere dames om hen te beschermen tegen handtasdiefstal is daarom zinloos en oplichterij.

(2) De aanval komt onverwacht, is minder doeltreffend en schakelt het slachtoffer niet uit, maar het slachtoffer verstijft van angst en is compleet ontredderd. Einde verhaal.

(3) De aanval komt onverwacht maar schakelt het slachtoffer niet uit. Het slachtoffer vangt de aanval op en kan zich verder verweren. Fase 2 start.

(4) Het slachtoffer herkent de aanval. Impact wordt bijvoorbeeld geblokkeerd of afgeleid. Het slachtoffer wordt vastgenomen maar behoudt het evenwicht en verplaatst zich naar een dominante positie met of zonder impact.

Zelfverdediging is enkel van toepassing in 3 en 4. In 4 is het slachtoffer het best geplaatst om zich adeqaat te verdedigen.

2. Counteren

In deze fase begint het de tegenaanval. Doorgaans gebeurt dit aan de hand van impact (slag, stoot, trap, enz.). Soms volstaat een eenvoudige bevrijding om te kunnen ontsnappen van de aanvaller.

Impact dient twee functies. 

(1) Impact gebruikt worden om de aanvaller te neutraliseren (meer heeft een bokser niet nodig)

(2) Impact kan gebruikt worden om de tegenstander af te leiden of in een zwakkere positie te brengen om andere technieken toe te passen (dit is typisch voor jujutsu of BJJ). 

Onze multivechtsport (Karate, meer specifiek Koryu Uchinadi Kenpo-Jutsu) is een "percussive impact based martial art".

3. Overnemen

Overnemen betekent dat het slachtoffer het lichaam of een ledemaat van de aanvaller vastgrijpt om een worp, klem- of wurgtechiek in te zetten.

De counter in Fase 2 wordt daarbij gebruikt als afleidings- of verzwakkingsmanoeuver, waardoor het slachtoffer gemakkelijker kans krijgt om een worp of controletechniek in te zetten. In het traditionele aikido gebruikt men ook impacttechnieken (“atemi”) alvorens een worp of klemtechniek wordt toegepast. Judoka kunnen in een zelfverdedigingssituatie ook impacttechnieken inzetten om de tegenstander uit evenwicht te brengen (“kuzushi”).

4. Controleren

Controle gebeurt doorgaans op de grond – staande klemmen en wurgingen zijn mogelijk, maar moeilijk om uit te voeren. Door de aanvaller naar de grond te brengen, is het gemakkelijker om die te immobiliseren.

Tot slot, goede zelfverdediging is eenvoudig en brutaal. Maar “eenvoudig” betekent hier niet hetzelfde als “gemakkelijk”. Klemtechnieken en wurgingen zijn moeilijk. Stoten en slaan met impact is dat ook. Zichzelf verweren tegen agressie is moeilijk en daar moeten we ook realistisch in zijn. Een techniek aanleren in de dojo onder veilige omstandigheden en met een coöperatieve partner is iets anders dan die techniek toepassen in reële omstandigheden. De realiteit kan slechts gedeeltelijk benaderd worden. Dit leidt al eens tot frustratie van de beoefenaar – kan/zal mijn techniek werken? En ja, gewicht en kracht van de aanvaller spelen zeker een rol. Het romantische ideaal dat een je de kracht van de aanvaller tegen hem gebruikt is marketingpraat. Om het in de minder romantische woorden van Geoff Thompson te zeggen: wil je jezelf leren verdedigen, leer dan vooral “to hit fucking hard”.

‹ Terug naar overzicht